Mijn verhaal

Het moment waarop dossiers weer mensen werden

Ik heb jarenlange ervaring binnen Team Seksuele Misdrijven van de politie. Een omgeving waarin iedere dag mensen binnenkomen met verhalen die niemand ooit zou willen vertellen. Verhalen over seksueel geweld, misbruik, grensoverschrijdend gedrag en trauma. Mijn werk bestond uit luisteren, analyseren, onderzoeken en waar mogelijk bijdragen aan waarheidsvinding.

Eens in de zes weken had ik een overleg met de coördinerend officier van justitie. Vooraf bereidde ik ongeveer dertig zaken voor. Meldingen van mensen die contact hadden opgenomen met de politie, maar uiteindelijk geen aangifte hadden gedaan. Zaken waarin onvoldoende bewijs was. Zaken waarin slachtoffers geen strafproces wilden. En soms zaken waarin de officier besloot tóch verder te gaan.

Op papier waren het dossiers.

Zaaknummers.

Feiten.

Juridische afwegingen.

Maar tijdens één van die voorbereidingen gebeurde iets wat ik nooit meer ben vergeten.

Terwijl ik de dossiers één voor één doornam, drong ineens tot me door dat dit geen dossiers waren.

Het waren mensen: mensen van vlees en bloed.

Mensen met ouders, kinderen, partners, vrienden en collega's.

Achter ieder dossier schuilde een leven dat ontwricht was geraakt. Achter iedere melding zat verdriet, onzekerheid, schaamte of boosheid. Niet alleen bij degene die zich had gemeld, maar vaak ook bij iedereen om diegene heen.

En tegelijkertijd wist ik dat we tijdens het overleg waarschijnlijk maar een klein deel van deze zaken verder konden brengen.

Niet omdat we dat niet wilden.

Maar omdat het strafrecht grenzen kent.

Sommige zaken waren niet bewijsbaar.

Sommige feiten waren destijds niet strafbaar.

Soms was hulpverlening voor iemand waardevoller dan een strafproces.

Dat is de realiteit van het strafrecht. En die realiteit accepteer ik nog steeds.

Maar op dat moment drong een andere gedachte zich op. Een gedachte die me sindsdien nooit meer heeft losgelaten.

Waarom zijn we als samenleving zo goed geworden in reageren als het misgaat, maar investeren we zoveel minder in het voorkomen ervan?

Die vraag veranderde mijn blik.

Ik begon steeds vaker patronen te zien.

Niet alleen in de dossiers.

Maar ook daarvóór.

Ik zag jongeren die hun eigen lichaam nog nauwelijks hadden leren kennen voordat zij seksuele ervaringen opdeden.

Ik zag mensen die niet hadden geleerd hoe zij konden aangeven wat zij wel of niet wilden.

Ik zag volwassenen die het woord vulva, vagina of penis nauwelijks durfden uit te spreken, omdat daar thuis nooit open over was gesproken.

Ik zag ouders die hun kinderen wilden begeleiden, maar zelf nooit hadden geleerd hoe.

Ik zag professionals die zich onzeker voelden over wat zij wel of niet mochten bespreken.

En ik zag een samenleving waarin seksualiteit overal zichtbaar is, maar lang niet altijd bespreekbaar.

Toen op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven in werking trad, voelde ik opnieuw hoe urgent deze vragen waren.

De wet was nodig.

Slachtoffers verdienen bescherming.

Grenzen moeten helder zijn.

Maar tegelijkertijd dacht ik aan al die jongeren die nog bezig zijn om te leren wat wederzijdse instemming, communicatie en respect in de praktijk betekenen.

Jongeren mogen leren.

Dat betekent niet dat grensoverschrijdend gedrag acceptabel is.

Integendeel.

Het betekent dat wij als samenleving de verantwoordelijkheid hebben om jongeren de kennis, vaardigheden en begeleiding te geven die zij nodig hebben om gezonde keuzes te kunnen maken. Want wanneer we dat nalaten, laten we hen soms leren door schade en verdriet – voor zichzelf of voor een ander.

Voor mij werd steeds duidelijker dat de oplossing niet alleen ligt in betere opsporing of strengere wetgeving.

De oplossing begint veel eerder.

Bij opvoeding.

Bij onderwijs.

Bij open gesprekken.

Bij professionals die weten hoe zij kinderen en jongeren kunnen begeleiden.

Bij ouders die antwoorden durven geven. Bij een samenleving die seksualiteit niet benadert vanuit schaamte of angst, maar vanuit ontwikkeling, nieuwsgierigheid en verantwoordelijkheid.

Om die reden ben ik mij gaan verdiepen in positieve seksuele gezondheid en relationele ontwikkeling. Niet omdat ik minder wilde weten over seksueel grensoverschrijdend gedrag, maar juist omdat ik wilde begrijpen hoe gezonde seksuele ontwikkeling eruitziet. Ik wilde mijn blik verbreden. Niet langer alleen kijken naar wat misgaat, maar vooral naar wat mensen nodig hebben om gezond en veilig op te groeien.

Daar ontstond Expertisecentrum Seksualiteit & Veiligheid.

Niet vanuit de overtuiging dat we ieder seksueel delict kunnen voorkomen.

Dat zou niet eerlijk zijn.

Maar wel vanuit de overtuiging dat we als samenleving veel meer kunnen doen om kinderen, jongeren en de volwassenen om hen heen toe te rusten met kennis, vaardigheden en vertrouwen.

Ik geloof dat ieder kind recht heeft op een gezonde, veilige en positieve relationele en seksuele ontwikkeling.

Ik geloof dat seksualiteit iets is wat je leert.

Ik geloof dat open communicatie een beschermende factor is.

En ik geloof dat investeren aan de voorkant uiteindelijk menselijker en gezonder is dan blijven repareren aan de achterkant.

Daarom bestaat Expertisecentrum Seksualiteit & Veiligheid.

Niet omdat de wereld perfect kan worden.

Maar omdat ieder kind het verdient om zich veilig, nieuwsgierig en met vertrouwen te kunnen ontwikkelen.